UP
DOWN

BIOGRAFIE

Geboren werd Bert Schierbeek op 28 juni 1918 in Glanerbrug, bij Enschede. Opgevoed werd hij echter in Beerta, op het Oost-Groningse platteland, bij opa en oma Cezar, omdat zijn moeder tien dagen na zijn geboorte aan kraamvrouwenkoorts stierf. Herinneringen aan die beslissende jaren tekende hij vooral op in het drieluik Weerwerk, Betrekkingen en Binnenwerk (1977–1982). Dat hij volgens de overlevering op oma’s ‘Bertie mien jong woar bist’ om hem aan tafel te roepen, antwoordde met ‘kwil nait eet’n, kwil zing’n op ’t hobbelpeerd’ is een anekdote die te veel op zichzelf staat om als vingerwijzing naar de toekomst te worden geduid. Van een dichter in de dop was geen sprake, al voedden de Groningse klanken (‘de klaaikloet’n rollen erdoorheen’) zijn taalgevoel wel.

Op zijn elfde verkaste Schierbeek naar zijn vader, inmiddels hoofd van de school in Boekelo, en hertrouwd. Zoonlief moest zich van zijn ouders eerst maar eens bewijzen op de MULO; pas na twee jaar mocht hij naar de school waar hij thuishoorde: het Enschedees Lyceum. In het bijzonder zijn leraar Nederlands, Forumkenner W.L.M.E. van Leeuwen, scherpte daar zijn politiek en literair bewustzijn en wakkerde een ontembare leeslus

Over schrijven dacht hij op dat moment echter nog helemaal niet. Studeren in Amsterdam, dat was zijn grote wens, sociale geografie. Een keuze die zijn ouders niet kon bekoren. Omdat hij zo veel las, hoopten ze dat hij dominee wilde worden. Ze lieten hem er zelfs facultatieve lessen Hebreeuws voor volgen, maar toen hij hardnekkig Nietzsche bleef uitpluizen, gaven ze de moed op. Schierbeek trok in 1941 naar de hoofdstad, waar uiteindelijk niets terechtkwam van een studie, omdat hij weigerde de loyaliteitsverklaring te ondertekenen.

Verzet

Tijdens de oorlog zouden andere bezigheden Schierbeek opslokken. Hij koerierde bonkaarten vanuit Boekelo naar Amsterdam en zocht naar onderduikadressen buiten de stad. De dichter zelf sprak altijd tamelijk laconiek over deze riskante ondernemingen: ‘Ik maakte geen verdachte indruk. En op mijn Ausweis stond dat ik boerenarbeider was. Dat leek wel te passen bij die kop met rimpels.’

Deze illegale activiteiten brachten Schierbeek in 1942 in contact met de verzetsgroep CS-6, met Hans Katan, Leo Frijda, Gerrit Kastein, Reina Prinsen Geerligs en Jan Verleun als harde kern. Ze pleegden onder meer sabotage aan opslagplaatsen van radiotoestellen en probeerden treinen waarmee joodse mensen werden gedeporteerd, te laten ontsporen. Begin 1943 koos de groep doelbewust voor het uit de weg ruimen van vooraanstaande collaborateurs. Verraad zou de groep uiteindelijk in 1943 noodlottig worden. Schierbeek, die vooral een handige ‘boodschappenjongen’ voor hen was geweest, werd op tijd gewaarschuwd.

Het waren deze verschrikkingen die Schierbeek voor het eerst naar de pen deden grijpen. Hij wilde het drama van zich afschrijven, een eerbewijs aan de gesneuvelden leveren. Het resultaat heette Terreur tegen terreur en werd kort na de oorlog door De Bezige Bij uitgebracht. Hoewel geen echte sleutelroman, is het overduidelijk dat CS-6 er model voor heeft gestaan.

Schierbeeks tweede boek liet niet lang op zich wachten. Opnieuw waren ontzetting en heftige verontwaardiging, ditmaal over de mensonterende politionele acties, de aanleiding.

Beide boeken bleven uiteindelijk buitenbeentjes in Schierbeeks omvangrijke oeuvre. Het waren traditionele romans waarin hij poogde levensechte personages neer te zetten, maar waarbij vooral in Terreur tegen terreur de ideologie te veel overheerste om van een geslaagd geheel te spreken. Anderzijds verraden enkele sporadische surrealistische wendinkjes in Gebroken Horizon dat Schierbeek aarzelend zocht naar iets anders.

Experimenteel

Koos Schuur, dichter en redacteur bij De Bezige Bij, merkte dat haarscherp op en had bovendien vertrouwen in Schierbeeks onzeker tasten. Hij vroeg Schierbeek eind 1945 al redacteur te worden van het literaire tijdschrift Het Woord, dat drie jaargangen zou bestaan en nu wordt gezien als een voornaam wegbereider voor de Beweging van Vijftig. Voor Schierbeek was het een ideaal medium om zijn eigen vorm te vinden. Hoe die eruit zag, werd duidelijk toen in 1951 zijn experimentele roman Het boek ik verscheen. Een kolkende vulkaan van brokkelige beelden. Waar zijn collega-Vijftigers (Lucebert, Claus, Elburg, Kouwenaar, Campert, Andreus, Vinkenoog,) zich uitleefden in verzen, verraste Schierbeek met een uitspatting van associatief, exuberant, nevenschikkend proza waarin één verhalende noemer ontbreekt. Hooguit kan een anekdotische laag met vooral autobiografische aspecten worden onderscheiden naast een deel, waarin allerlei culturen ritmisch en kleurrijk over elkaar heen buitelen en waarop de lezer minder gemakkelijk greep krijgt.

In 1952 en 1955 volgde meer experimentele pennenvruchten: De andere namen en De derde persoon. Eigenlijk hield de vorm waarin Schierbeek zich vanaf toen uitdrukte het midden tussen proza en poëzie. Zelf noemde hij zijn mengvorm bij voorkeur ‘proëzie’. Onder andere de in de jaren zestig verschenen bundels Het dier heeft een mens getekend, Ezel mijn bewoner en Een broek voor een oktopus zijn er prachtige staaltjes van. Overigens vond Karel Appel eerstgenoemde titel een meesterwerk. ‘Allegorisch, bijbels,’ zei hij bijvoorbeeld nog in 1993, ‘voor mij is het werkelijk een van de topgedichten in de wereld.’ Hij stelde uitgeverij De Bezige Bij daarom voor een mooie bibliofiele uitgave te maken met kleurenlitho’s bij enkele fragmenten. Het resultaat was een prachtige map, A beast-drawn man.

P(r)oëzie

In 1944 was Schierbeek getrouwd met pottenbakster Frieda Koch. In datzelfde jaar kregen ze een dochter, Saskia, in 1948 een zoon, Michiel. Het huwelijk hield niet lang stand nadat Frieda en Lucebert verliefd werden op elkaar. Die onverkwikkelijke situatie leverde de literatuur een van de weinige experimentele proza-uitingen van Lucebert. op. Avonden lang schreven de twee tegen elkaar op. Brieven als verpakking voor hun ergernis én waardering voor elkaar. Later werden ze gebundeld onder de titel Chambre-Antichambre (1978).

In 1957 trouwde Bert Schierbeek voor de tweede keer. Met Margreetje van Zutphen. In 1970 kwam zij om het leven bij een tragisch auto-ongeluk. Als in een trance maakte Schierbeek het boek dat hij onder handen had, Inspraak, af, om vervolgens geruime tijd niet meer aan schrijven toe te komen. En toen hij weer met nieuw werk kwam, waren daar plotseling dichtregels. Geen proëzie meer, maar een bundel vol aarzelende, sobere, emotionerende verzen: De deur (1972). Haperend en stamelend zoekt hij daarin letterlijk naar woorden voor zijn verlies.

Vanaf dat moment zouden Schierbeeks meer experimentele prozaverhalen worden afgewisseld met gedichtenbundels. In het eerste genre verscheen bijvoorbeeld in 1988 Door het oog van de wind, waarin voorvallen op het Spaanse eilandje Formentera zijn verwerkt. Spanje had Schierbeek al aan het begin van de jaren vijftig voor zich gewonnen, toen hij er met een vriend doorheen kruiste. En dat gold helemaal voor Formentera, eiland van vijgen- en amandelbomen, dat hij eens vanaf Ibiza had opgezocht. Met Margreetje kocht hij er grond om er later een huisje op te bouwen. Tot aan zijn dood zou hij er graag de winters doorbrengen. Vanaf halverwege de jaren zeventig deed hij dat samen met zijn nieuwe vrouw, Thea, een vriendin van Margreetje die hem opving in de moeilijke periode na het ongeluk.

Behalve tot proza inspireerde het geliefde eiland evengoed tot de mooie gedichten in de bundel Formentera (1984), zoals twee jaar later een bezoek aan China de aanzet vormde tot de gedichten in De tuinen van Suzhou. Hoewel er plannen genoeg waren, zou het na 1988 niet meer tot een afgerond proëzieverhaal komen. Wel zou Schierbeek tot enkele dagen voor zijn dood in 1996 blijven dichten. Zijn laatste, aangrijpende verzen werden postuum gepubliceerd in Vlucht van de vogel.

Twee jaar na Schierbeeks dood richtte het Fonds voor de Letteren een Bert Schierbeek Fonds op. Dit verstrekt bijdragen aan bijzondere experimentele of interdisciplinaire literaire projecten van schrijvers en vertalers. Nadere informatie: www.fondsvoordeletteren.nl